Sedert kleins af aan zat ik al tussen de kippen. Op vele kinderfoto’s kan je me als klein ventje dan ook zien tussen de kippen. De microbe zat er dus al vroeg in. In mijn kindertijd had ik een mengelmoesje van kippen en een haan. Af en toe eens wat kuikens die ik dan weer wilde houden en het resultaat was een bonte verzameling kruisingen. Leuk om te zien maar niet echt rasgebonden.
Toen ik 16 was kreeg ik van een dorpsgenoot die op pensioen ging een toom Zilverbrakels. Hij was een gerenommeerde kweker die lang geleden hielp om het ras in stand te houden. Hij vertelde me languit over de jaren 70 die moeilijk waren voor de Zilverbrakel en mijn interesse werd gewekt.
Al gauw ging ik me verder verdiepen over correct broeden, de rasstandaard en ging ik me specialiseren in raszuivere dieren. Al snel kwam het Mechelse Hoen op mijn pad. En zo had ik 2 soorten die ik zo goed als ik kon, met vallen en opstaan, probeerde te kweken.
Toen ik later een alleen ging wonen in Bellem had ik een enorme tuin. De twee soorten kippen nam ik uiteraard mee en het groepje kippen die ik nog overhad uit mijn jeugdjaren. Die kipjes waren immers op pensioen. Ik had nog een plaatsje over voor Rhode Island Red en zo was ik vertrokken.
2 Jaar later trouwde ik en verhuisde naar Maldegem. Ondertussen waren de laatste van mijn oude kipjes gestorven en op vraag van mijn vrouw kwamen er Wyandotte krielen in de plaats.
De Rhode Island Red bleek mijn ding niet echt te zijn en werden al gauw vervangen door Yokohama kriel. Mijn tuintje was bijna compleet. Naast de Zilverbrakel, Mechels Hoen, Wyandotte kriel en Yokohama kriel had ik nog 1 plaatsje vrij. En omdat de brakel mijn favoriet was, kocht ik een een groepje Goudbrakel aan.
Nog wat later kwam Livorno Exchequer en Vorwerk bij de verzameling.